Brugse Isha Van Alsenoy presenteert Pierewaai, een bundel vernuftige verhalen in 101 woorden
Pas verschenen bij Poespa Producties: ‘Pierewaai, een bundel vernuftige verhalen in 101 woorden’, het eerste boek van de Brugse auteur Isha Van Alsenoy. In de inleiding geeft Isha Van Alsenoy toe dat Pierewaai het resultaat is van ‘een uit de hand gelopen stijloefening’. Aan De Schrijfschool Gent kreeg Van Alsenoy de opdracht om, in navolging van de Britse auteur Dan Rhodes, een ‘101-tje’ voort te brengen. Deze ‘constrained writing’-techniek wakkerde niet alleen haar creativiteit aan, maar gaf haar paradoxaal genoeg ook de vrijheid om strikte genrebepalingen te overstijgen.
Ze legde zich trouwens nog meer beperkingen op door haar teksten meestal te laten aanvangen met de klassieke openingsformule van het sprookje ‘Er was eens…’ en haar selectie exact te laten overeenstemmen met het aantal weken in een jaar.
Hoewel ze er tevens metanarratieve en taalreflexieve elementen in verwerkte, doen haar geschriften nooit formalistisch aan. Integendeel, want op een speelse en toegankelijke manier spoort ze de lezer aan om anders naar zijn (leef)omgeving te leren kijken en om overal de magie in te ontdekken.
Pierewaai, dat als wekelijkse scheurkalender gebruikt kan worden, verrast door de aanwezigheid van sprookjes, fabels, grotesken etc. en draagt een boodschap van verdraagzaamheid, zelfvertrouwen en dankbaarheid uit.
Er was eens een boek dat dringend geschreven moest worden. Het heet ‘Pierewaai’ en je hebt het vast. Koop het maar want het doet een mens wegdromen. Niet weg dromen maar hier-en-nu dromen. 52 seizoensgebonden teksten van 101 woorden om bij te mijmeren, om voor te lezen aan iedereen, om samen te genieten van ontroerende schoonheid. Waarmee de wereld een stukje mooier is geworden. Het was hard nodig. – Jean Paul Van Bendegem
Sprookjes waarin je wilt wonen! Vol ingetogen wijsheid en opgetogen fantasie. Het zou mij niet verwonderen als je, door het herhaaldelijk savoureren hiervan, nog heel lang en gelukkig leeft. – Maud Van Hauwaert.
1. Pierewaai is een aparte titel. Waar komt deze vandaan?
“Pierewaaien vind ik een vrolijk werkwoord; het doet me ook denken aan een pier, oftewel ‘een worm’, en een verhaal van mijn overleden grootmoeder: als kind is er ooit een pier in haar schoot gewaaid en die schrik is ze nooit te boven gekomen. Vandaar dat het me een leuke titel leek voor een boek dat de lezer aan het denken wil zetten. Of eerder aan het kijken. Mijn boodschap is: kijk naar onze wereld, de magie komt je tegemoet gewaaid.”
2. Hoe kwam je tot de thematische indeling in seizoenen? Welke meerwaarde geeft deze indeling aan de bundel?
“Met de indeling in de seizoenen wil ik vooral traagheid suggereren. De seizoenen vormen voor mij ook een heel natuurlijke manier om naar het leven te kijken: niet zozeer lineair, maar eerder cyclisch. Zo draait de wereld; rond haar as, rond de zon, de maan rond ons. Wij leven cyclisch, en dat heeft meer invloed op ons dan bijvoorbeeld het lineaire van leeftijd. Ik denk dat deze UKV’s het best werken als ze met mate geconsumeerd worden. Op deze manier heeft de grafiek van Johnny Bekaert ook de nodige ruimte om mooi tot haar recht te komen.”
3. Welke rol speelt taal in je UKV’s?
“Het gaat vooral over hoe we sommige dingen benoemen. Hoe komt een woord, etymologisch gezien, tot stand? Dat vind ik heel boeiend. Bijvoorbeeld: waarom noemen we een schrijvertje een schrijvertje en geen ‘schaatsertje’? Dat laatste zou bij mij geen vragen oproepen. Maar zo’n slank insect dat over het water loopt, wordt ‘een schrijvertje’ genoemd; waarover en waarom schrijft hij dan? Voor Het Eikenblad, nieuws uit uw boskwartier?”
4. Je houdt duidelijk van de natuur. In je UKV’s treden bijvoorbeeld vrij vaak dieren op de voorgrond. Zijn er dieren waarover je nooit zou willen schrijven? Welke gebeurtenissen in je jeugd deden jouw liefde voor fauna en flora opbloeien?
“Wij mensen zijn uiteraard ook dieren, maar ons antropocentrisch brein heeft toch de indruk dat we bovenaan staan, dat wij de regels bepalen. Terwijl de kauwen net zo goed denken dat zij het voor het zeggen hebben; voor hen zijn wij een pestsoort. Er zijn geen dieren over wie ik niet zou schrijven. De kakkerlak, bijvoorbeeld, roept bij de meeste mensen geen aangename associaties op. Als je bedenkt dat de eerste kakkerlakken eenzaam waren en het vaak ook koud hadden, waardoor de evolutie hen een warm schildje en veel vriendjes gegeven heeft, denk je dan niet anders over een kakkerlak? Ik persoonlijk wel. Een verhaal uit mijn kindertijd dat me altijd is bijgebleven, heb ik te danken aan de katholieke school waar ik mijn uniform versleten heb. Bij ons op school was een kapel waar we regelmatig naar de mis gingen. De oude priester in de lagere school vertelde graag verhalen. Dit verhaal kaderde in het scheppingsverhaal; God was druk bezig met het creëren van de dierenpracht. Die dag zouden de vogels kleur krijgen. Elke vogel, wit van veren, snavel en poten, stond geduldig te wachten om een outfit te kiezen. God kleurde met verfborstels alle vogels zoals ze het zelf wilden. De meeuwen kozen een paar sober gekleurde accenten, de merel wilde het liefst een donker pakje en een felle snavel. De papegaaien kozen voor felle kleuren, om goed op te vallen tegen het groene bladerdak van het regenwoud, enzovoort enzoverder. Toen kwam God bij de laatste vogel: de mus. ‘Liefste Mus,’ zei God, ‘mijn verf is op… Wat nu?’ ‘Ach,’ zei Mus, ‘maak je borstels schoon in mijn veren, voor mij is dat goed genoeg…’ Als ik vandaag een mus zie, denk ik nog steeds aan dat verhaal.”
5. Vind je dat de formule van 101 woorden je beperkt of je net bevrijdt? Merkte je, na het schrijven van een aantal UKV’s, dat je steeds makkelijker naar precies dat getal toewerkte, of zag je daarin geen evolutie?
“Voor mij zijn 101 woorden net genoeg om deze ‘door-het-sleutelgat’-verhalen vorm te geven. Als er meer woorden nodig zijn, is het iets anders. Een kortverhaal, een tranche-de-vie of een column, bijvoorbeeld. Bij deze laatste genres zijn er ook regels waar je je een beetje aan moet houden. Kortverhalen heb ik, onder begeleiding van Ingrid Verhelst en samen met Het Gentse Schrijverscollectief, ook geschreven. Al telt een kortverhaal veel meer woorden, ik voel me vrijer binnen de 101-tjes zoals ik ze thematisch en vormelijk heb uitgewerkt. En inderdaad, op den duur lukte het me om naar dat aantal woorden toe te werken, al vraagt elk 101-tje sowieso veel afwerking en schrapwerk. En ook rust, om het na een paar dagen opnieuw vast te pakken en te kijken of het werkt.”
6. Denk je dat een UKV zich gemakkelijk laat omvormen tot een gedicht – of omgekeerd?
“De gedichten die mij raken, zijn grootser, vrijer in gevoel en omvangrijker, zo voelt het wel. Een 101-tje is een observatie, een scène, een dia in de viewmaster waar ik op mijn manier betekenis aan geef. Goede gedichten gaan ruimer, zijn vaak ernstiger en streven meer naar ‘het hogere’. Mijn verhalen zijn bescheiden; ze zijn wat ze zijn. Ik wil ze niet naar beneden halen of minimaliseren. Grote Kunst kan ook heel klein zijn: denk aan de ’99 Fears’ of andere kleine tekeningen van Nedko Solakov: echt fantastische kunst vind ik dat! En die neemt ook niet veel plaats in… Waarmee ik wil zeggen: de vorm, de 101 woorden, is beperkend en toch kan je er een poëtische twist aan geven. Het echt omvormen tot een gedicht heb ik nog niet geprobeerd.”
7. Begin je bij het schrijven van een UKV daadwerkelijk meestal met de beginzin, of werkt het niet steeds zo? Ik denk hierbij in het bijzonder aan de aanhef ‘Er was eens…’
“‘Er was eens’ vond ik als constante openingsfrase wel fijn om mee te werken. Het heeft iets dromerigs, sprookjesachtig. Het zet de toon voor iets onverwachts. Sommige thema’s vroegen eerder ‘Er zijn’. Die eerste zin zet de toon, toont het canvas, of het toneel, zodat de lezer of toehoorder een vertrekpunt heeft in zijn hoofd. Dat je daarbij soms op het verkeerde been wordt gezet, hoort erbij.”
8. Welk UKV bevat voor jou de sterkste boodschap voor de lezer? Of vind je dat de lezer dit zelf moet invullen?
“Dit mag iedereen voor zichzelf invullen. Geen enkel 101-tje is er zomaar, ze zijn allemaal bewust geboren, waardevol en tastbaar in dit boek samengebracht. Je kan het ene moment dit verhaal en de volgende dag een heel ander verhaal meenemen in gedachten. Dat is de bedoeling. En wie weet inspireren ze wel om zelf ook anders naar de wereld te kijken. En vooral, om meer zorg te dragen; voor de natuur, onze planeet en elkaar. Iedereen en alles heeft iets te vertellen.”
9. Een tegenstelling die opvalt in de bundel is die tussen rust en chaos, of om dat laatste wat positiever te stellen, dynamiek. Zijn beide nodig? En in welke stemming begin jij het gemakkelijkst aan het schrijven van een UKV: als je complete rust gevonden hebt, of net als je bruist van energie?
“Ver weg van dagelijkse beslommeringen, wanneer ik uitgerust ben en met mijn wonderbril naar de wereld kan kijken, is meestal de meest vruchtbare periode. Net zo goed kan een sprookje me ook zomaar overvallen, heel plots. Sommige komen voort uit verdriet. Mogelijk zit er ook wat surrealisme in een aantal verhalen. Net die ‘onlogica’ of ‘onjuistheid’ als een feit voorstellen, vind ik grappig. Die spanning tussen chaos en rust is een goede observatie; zowel in één 101-tje als in het hele boek komt ze terug. Een solitaire bij die worstelt met het alleen zijn, een reiziger die geen zin heeft om naar huis te vertrekken, een palmboom die zich vragen stelt bij zijn levensmissie (wuiven),… voor mij zijn ze een weerslag van mijn leven en van hoe ik naar de wereld kijk. Soms is het chaos, soms is er rust. Door de 101-tjes samen te zien, gebundeld, voel ik mildheid voor mezelf. Ook al voel ik me soms eenzaam of kwetsbaar en heb ik vragen bij de zin van het leven, het is aangenaam toeven in mijn hoofd en in mijn hart.” Interview Finn Audenaert
Vernuftige verhalen in 101 woorden: ‘Pierewaai’ van Isha Van Alsenoy