Nieuw idee om onze stranden te versterken: slim gelokte schelpkokerwormen kweken
Mariene onderzoekers van ILVO hebben in drie Belgische kustplaatsen een experiment uitgevoerd om de vestigingsvoorkeur van een strandworm met opmerkelijke bouweigenschappen te leren kennen. Het gaat om de schelpkokerworm of Lanice conchilega. Die bouwt verticale, versterkte zandkokers tot 40cm diep, in de getijdenzone en ook verderop onder de waterlijn. De worm wordt daarom beschouwd als een mogelijke natuurlijke kustbeschermingsingenieur.

Op plaatsen waar schelpkokerwormen een populatiekolonie (een wormbank) uitbouwden wordt er meer zand vastgehouden en kan het strand aangroeien. Gert Van Hoey, onderzoeker ILVO: “Wij zoeken nu uit hoe we de Lanice-larven – overvloedig aanwezig in onze zee – kunnen stimuleren om zich te vestigen op nieuwe, strategisch te versterken laagwaterzones.”
De experimenten met diverse worm-vriendelijke, bio-afbreekbare matten leverden al interessante pistes. Veelbelovend zijn de iets dikkere matten met middelgrote maaswijdtes en ietwat grillige structuur. Vooral in mildere omgevingscondities lukte het aardig om de larven aan te trekken.
Het fenomeen groeiende en krimpende stranden
Een strand kan letterlijk groeien. Dit gebeurt wanneer er meer zand wordt afgezet dan dat de zee en de wind weer meenemen. Vier fenomenen leveren strandgroei: Zeestromingen en golven die zand van de diepere zeebodem aanbrengen, landinwaartse wind die droog zand op stranden en duinen plaatst, in zee uitmondende rivieren die sediment naar de kust brengen, en menselijke acties zoals zandsuppletie en bulldozerwerken met opgebaggerd zand.
Stranden kunnen ook (ongewenst) eroderen. Kusterosie heeft vier oorzaken: stormen en zware stromingen die zand in de diepere zee spoelen, een stijgend zeeniveau dat de waterlijn dichter bij de kustlijn brengt, ingedamde rivieren die veel minder zand en sediment kunnen verplaatsen naar de kust, en havens of golfbrekers die natuurlijke stromingen van zand langs de kust verstoren (soms met zandverlies en soms met zandbehoud tot gevolg).
De Belgische kust kent zones met aanhoudende kusterosie die op regelmatige basis zandsuppleties behoeven. In de kustveiligheidsprogramma’s van België en Nederland houden de waterbeheerders rekening met een stijging van ongeveer 30 cm tegen 2050. De Belgische Kustvisie (tot 2100) laat toe om, indien nodig, de kustlijn stelselmatig zeewaarts op te schuiven om stijgingen van 80 tot 300cm op te vangen.
Naar gecombineerde kustbeschermingsmethodes, harde en ook natuurlijke.
Naast het gebruik van traditionele harde kustbeschermingstechnieken (zeeweringsdijken, golfbrekers en strandhoofden) zoeken wetenschappers en ingenieurs ook naar extra natuur-gebaseerde manieren. Idealiter kunnen die twee doelen realiseren: de stranden helpen versterken én het mariene leven ondersteunen. Eerdere onderzoeksprojecten focusten op bio-bouwers zoals zeegras/zeewier en mossel- en oesterbanken, allemaal organismen die de natuurlijke processen en de dynamiek van ons kustsysteem positief beïnvloeden, en die meteen ook de stabiliteit van een kustgebied kunnen versterken.
Volwassen schelpkokerwormen op getijdezone bij eb
Het project Coastbusters-LANICE werkt op de schelpkokerworm. Het is bekend dat de aanwezigheid van veel volwassen schelpkokerwormen – via hun verstevigde woonkokers van verkleefd zand – kan helpen om het sediment te stabiliseren, de lokale waterstroming op de zeebodem te beïnvloeden en om kleinschalige plaatselijke habitats te creëren met een rijkere fauna. Dé vraag is hoe deze natuurlijke eigenschappen inzetbaar geraken voor kustverdediging, natuurherstel en offshore-infrastructuur. Dus, hoe kunnen de wormen actief naar gewenste nieuwe zones worden gebracht? Na een reeks laboratoriumtests heeft ILVO drie veldproeven aangelegd in Raversijde (Oostende), Lombardsijde (Middelkerke) en Heist (bij Knokke), in getijdezones die variëren van ‘eerder beschut’ tot ‘middelmatig heftig’.
Controleactie op één van de matten in het proefveld: kokerwormen tellen
Mazharul Islam, (doctoraat)onderzoeker ILVO: “Gedurende 4 maanden hebben we in de 3 proefzones diverse types matten in 5 herhalingen geïnstalleerd. De evolutie is tweewekelijks opgevolgd en fotografisch vastgelegd: hoeveel zand en Lanice-larven er in de matten achterbleven, hoeveel larven zich ontwikkelden tot volwassen individuen. De larvale aanwezigheid in de waterkolom werd maandelijks geregistreerd.”
Biologie van de schepkokerworm.
De Lanice conchilega komt van nature voor langs de Belgische kust en in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan. Vooral in de lente en de zomer zijn er overvloedig larven aanwezig in het zeewater. Waar de plaatselijke waterstromen wat vertragen (in en nabij de getijdezone), en waar er kleine obstakels zijn (vb. reeds aanwezige kokerstructuurtjes, schelpen of artificiële structuren) kunnen de larven neerdalen en een koker beginnen te bouwen.
Larve van de Lanice conchilega.
De verticale, flexibele kokers -buisjes tot 40 cm lang – zijn gemaakt uit lichaamsslijmen en zandkorrels. Ze steken een paar cm uit het zand. Schelpkokerwormen blijven in principe op dezelfde plek wonen. Ze eten organische partikels die in het water zweven of op de bodem liggen. Ze leven ongeveer 2 jaar.
Juveniel van de Lanice conchilega.
Dikke grillige matten met uitgekiende kenmerken
Gert Van Hoey, onderzoeker ILVO: “Volwassen wormen verplaatsen naar elders is onmogelijk door hun diepe woonstructuren in het zand. Realistischer is het lokken van de larven. Dan moet je minstens 2 gunstige omstandigheden creëren: een fysieke structuur in het zand die aanhechtingsmogelijkheden biedt, en de plaatselijke waterstroom die ietwat afremt. ILVO ontwierp daarom, samen met private partners, verschillende mat-typologieën, telkens met andere diktes, maaswijdtes, vormgrilligheden en samenstellingen.”
Zo’n 30 “matten” werden er in het lab uitgetest. De 4 meest belovende, die bij sterke waterbewegingen de meeste (namaak-)larfjes konden vasthouden en voorkomen dat ze weer opdwarrelden, werden geselecteerd voor de buitenproef tussen april en juli 2026.
Twee matten zijn ontworpen i.s.m. de Vlaamse firma Basaltex, die ecologische vezels uit basalt (vulkanische rotssteen) vervaardigt, basalttouw weeft en dat verknoopte in een 3D structuurmat en touwuiteinden.
Twee andere matten komen van het Nederlandse BESE, een ontwikkelaar van biologisch afbreekbare producten. Van hen zijn er geribbeld elementen gebruikt en ook opvulzakken, beide gemaakt van een biopolymeer op basis van zetmeel uit aardappelafval. De platte zak werd gevuld met schelpenmateriaal (mosselen, oesters en zwaardschedes), een aantrekkelijk substraat voor zich settelende larven.
Vier experimentele mat-substraten en nulcontrole: buitenproef Coastbusters_Laniceproef
Tussentijdse resultaten
De voorlopige resultaten zijn bemoedigend. Vooral de dikkere matten (driedimensionale structuren) van ruwere materialen en met middelgrote maasconfiguraties lijken de lokale hydrodynamische omstandigheden zo te veranderen dat larvale vestiging er beter in lukt dan in de nabijgelegen natuurlijke sedimenten.
Er zijn grote verschillen vastgesteld tussen de drie onderzochte eb-vloed proefvelden. In beschutte gebieden, zoals de Baai van Heist waar schelpkokerwormen verspreid aanwezig zijn, tonen de meeste matten larvale vestiging en/of een versterkende populatiedichtheid. In meer blootgestelde gebieden zoals Raversijde hielden er minder testsubstraten stand. Op de blijvers was er wel larvale kolonisatie die zou kunnen fungeren als stapsteen naar nieuwe wormbanken.
Twee mooie methodologische ontwikkeling is dat de onderzoekers de kokerdichtheden succesvol hebben leren in te schatten via AI. De AI modellen werden getraind met dronebeelden van het strand van Heist. De laserscanning om eventuele zandverhoging ten gevolge van de opstelling – dus strandgroei – te meten leverde ook data op, maar die cijfers zijn door de kleinschaligheid van het experiment niet te extrapoleren naar het hele strand.
Het project Coastbusters-LANICE mikt op een eerste praktische Lanice-roadmap voor de kustbeschermingssector en de overheid. Gert Van Hoey, onderzoeker ILVO: “Die roadmap bevat wellicht al schaalbare ontwerpen van Lanice-lokmatten. Hij kan inspireren tot het gebruik van natuurlijke kustbeschermingsingenieurs die ook de kustveerkracht helpen versterken, samen met de biodiversiteit en het functioneren van rijke ecosystemen.”
Op 16 juli 2026 eindigden de buitenexperimenten en zijn de matten verwijderd. In werkelijke toepassingen zullen die blijven liggen en op natuurlijke wijze afbreken als de wormbank al is gevestigd. Na dit project zal er zeker nood zijn aan opschalend onderzoek met verdere optimalisaties en dataverzamelingen.